Startpagina
Overzicht Boodschappen Kindje Jezus

 

Vrijdag 28 mei 2021

 

Toen ik 's morgens vroeg wakker werd, stond het genadige Kindje Jezus voor me. Het droeg een helderwit gewaad met rode lelieknoppen erop. Zijn krullend haar was goudkleurig. Het licht straalde uit Hem door de hele ruimte. Fijne gouden lichtstralen kwamen bovendien ook nog uit de Heer. Hij had een aureool om Zijn hoofd met een klaverblad erin.

Het Kindje Jezus hield een Bijbel in Zijn hand. Ik kon zien dat het mijn Vulgaat was die ik thuis heb. Op hetzelfde ogenblik dat de Heer de Bijbel opende, gingen de lelieknoppen op Zijn gewaad open en veranderden in bloemen. Het was mooi om dit te zien.

Hij keek me aan en zei: "Psalm 74!"

Toen bad het Kindje Jezus in een andere taal, die ik helaas niet verstond. Maar het was geen Latijn. Ze bevatte veel woorden met ‘ch’. Het Kindje Jezus bad vurig de psalm. Toen de Koning van de Hemel de psalm af had, sloot Hij de Bijbel, legde hem opzij en spreidde Zijn armen over mij uit. Hij sprak:

'Vergeet je opdracht niet. Jij zult met veel mensen spreken. Doe alles zoals Ik het je zeg. Laat af van mensen die hun eigen interesses nastreven.

Er volgde een persoonlijke mededeling.

Ik vroeg het Kindje Jezus of Hij echt het Jodendom praktiseerde tijdens Zijn leven, de Thora las en gebedsriemen kende. Hij zei ja. Het genaderijke Kindje Jezus zegende me en verdween.

 

Deze boodschap wordt bekend gemaakt zonder vooruit te willen lopen op het oordeel van de Rooms-katholieke Kerk.

Copyright © Manuela 2000

 

Psalm 74

1 Een compositie van Asaf. Waarom, God, gaat Gij voort te verwerpen? Waarom over de schapen uwer weide uw donker wolkende toorn?

2 Gedenk: voormaals wierf Ge uw schare, loste haar - die stam werd uw erfdeel, de berg Sion: daar maakte Gij woning.

3 Schrijd herwaarts waar eindeloos het puin ligt, heel de tempel vernield door de vijand.

4 Daar was het gejoel van uw haters in het hart van uw heilige plaats; zij plantten er als tekenen hun vaandels.

5 En hakten er, zwaaiend hun bijlen, alsof ze het struikgewas kapten,

6 sloegen in korte tijd al het snijwerk met bijl en met moker aan splinters,

7 staken dan de brand in uw tempel, haalden neer het huis van uw naam;

8 dachten heimelijk: 'nu al het uitwas! Verbrandt elke plaats Gods in dit land!'

9 En tekenen aan ons zien wij niet. Geen profeet is er meer. Geen van ons weet tot hoelang.

10 Tot hoelang, God, de hoon van uw haters? smaadt de vijand dan eindeloos uw naam?

11 Waarom is het dat Gij uw hand inhoudt, uw rechterhand bergt in uw kleedplooi?

12 God, Gij koning van den beginne, die doorstoot met uw heil hier op aarde:

13 Gij kliefde de zee door uw kracht, hebt de drakenkoppen vermorzeld boven de oceaan. - Gij hebt hem,

14 Leviatan, de koppen verbrijzeld. Gij gaaft ze de vissen als aas.

15 Gij doet bron ontspringen en bergbeek, Gij maakt waterloos machtige stromen,

16 de dag schiep Gij, schiep de nacht, Gij formeerde het licht en de zon;

17 Gij hebt vast afgebakend de aarde. Zomer, winter - Gij hebt ze omgrensd.

18 Weet dan, Heer, dat de vijand U hoont; uw naam minacht een volk van verdwaasden.

19 Laat haar niet aan de havik, uw tortel: het bestaan der verdrukten, de uwen, wil het niet vergeten voorgoed.

20 Hoed Gij het verbond: want dit land is vol duistere holen van onrecht.

21 Niet steeds sta de weerloze vernederd: uw naam love wie arm en ontrecht was.

22 Verrijs, God, vecht uw geding uit: merk toch hoe Gij wordt gesmaad door dwazen - zolang de dag duurt!

23 Tel niet licht het geschreeuw van uw haters, het rebels getier tegen U dat opstijgt ononderbroken.